HP/De Tijd 09 - 2021

U heeft niets te zoeken in mijn Alkmaar

Gezien de ketelmuziek waarmee u uw activiteiten op de sociale media pleegt te begeleiden, zal het menigeen zijn opgevallen dat uw ballingschap in de Algarve onlangs weer eens tijdelijk voor een bezoek aan het moederland werd onderbroken. Ik probeer u dan altijd, meestal vergeefs, te ontlopen. Ik moet echter toegeven dat dergelijke trips in uw bijzondere geval te billijken zijn.

Uw broodheren, mijnheer Van Amerongen, zijn Nederlands. Nu en dan zult u derhalve moeten aantonen dat u geen spookverschijning bent. Dankzij de buitenissigheden die uw bestaan typeren heeft die gedachte hier en daar helaas postgevat. Zo had ik er laatst opmerkelijk veel overtuigingskracht voor nodig om de heer Arie Storm van het idee af te brengen dat Arthur van Amerongen een van de pseudoniemen van Nora Roberts is.

In mijn ogen dient u dit overigens als een compliment op te vatten. Sinds het mij in de jaren tachtig door uitgeverij Harlequin werd gegund om deze vermaarde schrijfster te interviewen heb ik een hoge achting voor mevrouw Roberts. Ik werd, zoals het hoort, vanaf Dulles Airport per limo naar haar landhuis in Maryland vervoerd. Zij woonde daar diep in de bossen met een echtgenoot die ooit haar klusjesman was. Hoe Bouquetreeks wilt u het hebben? Wereldwijd zijn van haar boeken inmiddels 280 miljoen exemplaren verkocht en zij schrijft ook thrillers onder het het pseudoniem J.D. Robb.

Maar goed, dat is een ander verhaal. U verbleef weer eens in Nederland, daar gaat het nu om. Zoals ik al zei erken ik de noodzaak, voor u, van dit soort visites. U flikte toen echter ook iets wat mij mateloos ergerde. U bracht een bezoek aan het supportershome van AZ. U ziet: zodra het om Alkmaarse zaken gaat, blijft niets voor mij geheim. Het was van een ongekende brutaliteit. Wat moest u daar? U bent een hardcore Ajacied!

Ooit, toen Ajax nog in De Meer speelde en AZ de tegenstander was, zong u samen met de heer Jan Rot, enkel en alleen maar om de legendarische Alkmaarse spits Kees Kist op laffe wijze uit zijn spel te brengen, schandelijke liederen als Keessie is een pyromaan op de tribune. Dat heeft u mij zelf eens na uw twaalfde glas medronho onthuld toen wij, op mijn kosten uiteraard, zaten te lunchen in Santa Luzia.

U heeft niets te zoeken in mijn Alkmaar, mijnheer Van Amerongen. Het Afas Stadion is een plek waar mensen zoals u niet thuishoren. Ik deel al veel te veel met u. AZ is van mij. Ik zag nota bene op 650 meter van de Alkmaarderhout, waar het oorspronkelijke stadion stond, het levenslicht. Toen AZ nog Alkmaar ’54 heette en een van de eerste betaald-voetbalclubs van Nederland was, stond ik reeds als klein jongetje langs het veld.

Gerard Snabilie! Henk Peggeman! Nico Wagemaker! Henk en Siem Tijm! Mijn jeugdhelden. Zoals later, toen de club AZ’67 heette en de sympathieke Zaanse gebroeders Molenaar de macht in handen hadden gekregen, mannen als Kristen Nygaard, Jos Jonker, Ronald Spelbos en uiteraard Kees Kist dat waren.

Bij zo’n club heeft een naar Amsterdam gevluchte Edenaar niets te zoeken.

Laat dit geen tweede maal gebeuren!


Kennelijk was je moppentrommeltje leeg

Ach, wat weet Arie Storm nou helemaal van de knetterende letteren? Die dilettant uit de Haagsche Schilderswijk beweerde destijds ook dat ik onder het pseudoniem Mohamed Rasoel dat walgelijke vod De ondergang van Nederland – Land der naïeve dwazen zou hebben geschreven. Terwijl de auteur van die Nederlandse versie van Mein Kampf (vol dwingende suggesties voor de eindoplossing voor het mohammedaanse vraagstuk), toch echt Bob Polak was, zo verzekerde Gerrit Komrij mij tijdens een gezellig avondje met de Herenclub in Vila Pouca da Beira.

Overigens nam HAFMO toen tegen alle regels in zijn verloofde Connie Palmen mee, waardoor Charles Hofman bijna van zijn stokje ging. Ik hoor hem nog declameren: een vrouw, een vrouw! Enfin, dat kun je allemaal lezen in de vuistdikke biografie van Ger die volgend jaar uitkomt bij De Bezige Bij en waaraan mijn kunstbroeder Arie Pos maar liefst tien jaar heeft gewerkt. De grootste scoop zal ik reeds verklappen: Komrij was homosueel.

Bob Polak zegt jou natuurlijk niks. In het beste geval ken jij Jacques Mozes Polak, die nog voetbalde voor Excelsior, Twente, Ado, Sparta en de Texas Dutch Lions en die nu trainer is van de dames van Ado Den Haag. Ik heb hem vaak tegen Ajax zien spelen in De Meer en die beer van een vent is gezegend met geweldige voetbalhumor.

Zo las ik een interview met hem in het Algemeen Dagblad en stuitte ik op deze heerlijke passage: “Laatst kwam Polak thuis, zat heel zijn sporttas vol tampons en maandverband. Met een boodschap van zijn speelsters. ‘Sorry als we soms tijdens onze maandelijkse dingetjes chagrijnig zijn.’” Kijk, dat vind ik nou leuk, dat Jacques gewoon normaal doet over de maandstonden, door jou steevast en met enige weerzin omschreven als ‘opoe’ en ‘de rode vlag hangt uit’.

Overigens heeft Bob Polak los van Mohamed Rasoel nog een aantal zogeheten mystificaties op zijn naam staan, zowel in de vorm van artikelen als in boekvorm. Onder de naam Max Pam (ken je die wel?) schreef hij in december 1983 in Propria Cures een artikel over een vermeend oorlogsverleden van Aad Nuis, een van de belangrijkste verdedigers van Friedrich Weinreb (wel joods, géén voetballer). Onder de naam Willem Frederik Hermans publiceerde Bob Polak de mystificaties Lebensraum (1991) en Pang (1992). Hermans spande naar aanleiding hiervan een civiele procedure aan die eindigde in een schadevergoeding door Polak aan Hermans van 24.000 gulden.

Ik was trouwens inderdaad in het Afasie Stadion in Alkmaar vanwege een zakenlunch met mijn uitgever Otto Wollring. Een en ander vond plaats in de Louis van Gaal Lounge. Ik begreep van Otto dat jij de teksten van de menukaart hebt bedacht. Nou wist ik dat jij met Theodor Holman jarenlang tekstschrijver was voor televisieprogramma’s van André van Duin (Hele grote bloemkolen is van jou) maar met dit menu heb je jezelf overtroffen qua geestigheid, ouwe.

Ontbijt: de warming-up. De bankzitters: triangel, wit of meergranen, vers afgebakken. De aftrap: soepen. De voorzet: salades. De publiekswissel: luxe broodjes. De harde kern: klassiekers die al vijftien jaar van de partij zijn. De aansluitingstreffer: warme gerechten. Kennelijk was je moppentrommeltje leeg toen je bij de toetjes kwam, want daar geen woordspelingen. Was toen je budget op? Wat schoof dit trouwens: een leuk kredietje van Dirk Scheringa?


Kijk, lieverds, mijn escargootje

Nee, mijnheer Van Amerongen. Nee, nee, nee. Hele grote bloemkolen is een vondst van de heer Van Duin himself. Wel heb ik voor André in 1995 bijvoorbeeld - over grote bloemkolen gesproken - de vragen verzonnen die hij moest stellen tijdens een legendarisch interview, in zijn toenmalige talkshow, met mevrouw Connie Breukhoven, oftewel Vanessa.

De heer Theodor Holman – ik vond hem voordien maar een rare pinda, maar ging hem tijdens onze samenwerking allengs beter waarderen – klusten toen inderdaad parttime voor hem, omdat ze in Aalsmeer behoefte hadden aan journalistieke input, zoals dat heet.

Men zegt weleens dat alleen onzekere mannen op een uitbundige vrouwelijke voorgevel vallen. Mijn antwoord is dan steevast: ben ik even blij dat ik onzeker ben. Hoe dan ook deden haar twee kenmerkendste fysieke attributen destijds ook mijn mannenhart sneller kloppen. Mede om die reden stelde ik de heer Van Duin voor om tijdens dat gesprek in de studio in Aalsmeer zogenaamd alle onderwerpen aan te snijden behalve haar boezem, omdat iederéén het daar al over had, en dat dat in werkelijkheid nooit van z’n leven zou lukken. Eerste zin, toen hij haar aankondigde: “Ze is niet alleen gekomen, ze zijn met z’n drieën.” Waarna hij over Vanessa’s nieuwe auto begon, dat wil zeggen: over haar airbags, bumpers en koplampen. Het interview staat hier op YouTube.

Dat waren nog eens tijden, collega!

Toen kon je zoiets nog ongestoord doen!

Tevens moet ik helaas ontkennen dat ik van Jacques Mozes Polak heb gehoord. Wel herinner ik mij een andere Polak, voornaam Lou. Hij was de legendarische hoofdredacteur van het Amsterdamse stadsblad De Echo en van het maandblad Horeca Treffen, beide uitgegeven door het Telegraaf-concern. Kilootje of 160, onze Lou, die ooit ook voor De Waarheid schreef. Op onze vrije zaterdagen zat ik soms naast hem bij sauna Van Egmond in Haarlem. Dan wees hij de aanwezige meezwetende dames op het voor hemzelf totaal onzichtbare intieme lichaamsdeel onder zijn gigantische buik en zei hij met zijn onmiskenbare Jiddisch-Amsterdamse tongval: “Kijk, lieverds, m’n escargootje.”

Hij ontviel ons in 1988 tijdens een training in de boksring. Hij was tevens een befaamd moppentapper en nam in die hoedanigheid zelfs platen op. Tijdens zijn begrafenis vertelde paparazzo Hans Hofman, ook al niet meer onder ons, Lous tien beste moppen in de aula. Zelfs de weduwe Polak zat op de eerste rij te gieren van het lachen.

Enfin.

Met het verslag van uw bezoek aan de Louis van Gaal Lounge in het AZ-stadion geeft u andermaal te kennen dat u een typische Ajacied bent. Het dédain voor de provinciaal druipt er weer vanaf, mijnheer Van Amerongen. Het verbaast mij niet, maar het ergert mij wel. Verder gaat u maar lekker door met uw literaire ‘onthullingen’. What’s next? Saskia Noort is eveneens een creatie van Bob Polak? Ik maak even pas op de plaats.


Anders was ik nu een zwempedo geweest

Nu we het toch over dikzakken hebben, Hoogland: tijdens onze tête-à-tête in een strandtent in Egmond aan Zee viel mij uw vorstelijke embonpoint op. Wat mij nog meer opvalt, is dat u in alle toonaarden zwijgt over onze werkbespreking aangaande Het Grote Straathonden Boek, de nieuwe pageturner die volgend jaar uitkomt. Schaam je je voor mij, schobbejak?

In die strandtent werd overigens helemaal niet gevraagd naar mijn Digitaal Corona Certificaat van de Europese Unie. Jij wuifde dat gewoon weg en fluisterde: ‘Zo zijn die Derpers: ni Dieu ni maître’. Je reageerde ook nog eens geschokt toen ik een kopje warme chocomel bestelde. De enige reden dat ik geen dubbele Glenglassaugh uit 1963 bestelde, was om jou niet op kosten te jagen. Voor je pensioenage had ik dat wel gedaan, want toen gingen al je bonnetjes naar De Telegraaf.

Overigens heb ik vreselijk spijt dat we uitgerekend in Egmond aan Zee hadden afgesproken. Vóór het chocomel-incident liep ik daar even door de duinen in het kader van traumaverwerking, want vijftig jaar geleden verbleef ik er in gezondheidskolonie Prinses Juliana. Het spookgebouw staat er nog en is een grote versie van het horrorhuis waar Norman Bates met dat ouwe kutwijf woonde.

Ik was toentertijd ziek van heimwee, Hoogland, want ik ben een moederskindje. Voor de asociale kinderen uit de achterbuurten van Amsterdam – denk aan Ciske de Rat, maar dan onbeschoft en lomp – was de kolonie een paradijs; ze renden de hele dag door de duinen, konden naar hartelust sporten en kregen drie keer per dag een maaltijd. Voor mij was het de hel. Ik was niet opgewassen tegen de straatschoffies die iedereen terroriseerden; met mijn rode haar, sproeten en broodmagere kleine lichaam was ik het mikpunt van hun pesterijen.

Ik heb drie dagen gehuild toen ze mijn kastje waarin het snoepgoed van mijn ouders lag, hadden opengebroken. Zelfs naziverpleegster Gundela, die een zwak voor mij had en mij vaak in bescherming nam, schold me uit voor huilebalk. Het kind in mij stierf in vakantiekolonie Juliana in dat godverdomde Egmond aan Zee van jou, Hoogland. Ik had gelukkig een vriend van kleur die warempel Sjimmie heette. Voor een handvol snoep beschermde deze sympathieke reus van acht me tegen die doorgefokte ratten uit 020. Dankzij Sjimmie ben ik toen net niet groepsgewijs verkracht. Anders was ik nu een zwempedo geweest.

Als een gebroken man liep ik jouw strandtent binnen. Mede daarom bestelde ik geen dubbele whisky op jouw kosten, want dan was ik in huilen uitgebarsten, vriend. Dat is natuurlijk wel leuk voor onze column, en de oude vrouwtjes met paars haar zijn er dol op, maar ik koester mijn imago van keiharde alcoholist en straatjunk. Maar goed, nu weet je waarom ik soms huil. Vond je mij trouwens ook zo dik?