Bij mij moet je eigenlijk niet wezen als het om mooie zinnen gaat. Ik ben maar een stukkiesschrijver, en hoewel een concullega van een andere krant, binnenkort een ochtendblad, enkele jaren terug niet eens in geschater uitbarstte toen een interviewster van Kunststof hem vroeg of hij literatuur maakte (ik was er op de A9 ter hoogte van het Rottepolderplein via de autoradio getuige van), voel ik mij geroepen te benadrukken dat columnpjes breien andere koek is dan het schrijven van boeken van het kaliber Cannery Row van John Steinbeck of alle korte verhalen van James Salter.

Waarom ik mij dan toch een oordeel aanmatig over de mooiste Nederlandstalige liefdeszin, bekendgemaakt na een peiling onder de genodigden voor het Boekenbal door het CPNB?

De aard van het beessie, mevrouw.

Eerst die winnende zin, van Arthur Japin in Een schitterend gebrek. „Dit is het enige wat telt, lieverd, dat iemand meer in je ziet dan je wist dat er te zien was.” Het deed mij deugd te vernemen dat de auteur zelf moest opzoeken waar hij dat ook alweer had geschreven, want op mij had de zin óók al geen onuitwisbare indruk gemaakt.

Er moeten betere liefdeszinnen zijn.

Wat bijvoorbeeld te denken van die ene van Herman Finkers?

„Een vrouw als jou heb ik nooit gekend, sterker nog: ik zou niet weten wie je bent.”

Het is onmogelijk de mooiste zinnen van wat dan ook uit te roepen

De andere liefdeszin waarop ik de aandacht wil vestigen is hier volgens mij al eens eerder gepubliceerd, maar wat kan mij het schelen. Weemoedigheid dwingt mij om de vrouw voor wie de woorden waren bestemd – ’Once we were lovers, but somehow things have changed’, zong Jim Croce ooit – met respect te behandelen. Zij was de dochter van een caféhouder en ik citeer de zin die een voor haar vader werkende kelner in haar poesiealbum noteerde alsof hij snel even een bonnetje voor een klant uitschreef: „Lieve Riet / Als ik jou niet ziet / Dan geniet ik niet.”

Taalkundig is er best iets op aan te merken, dat klopt. Toch vergeet ik ’m nooit meer, hetgeen ongetwijfeld ook iets zegt over mijn opvatting van romantiek. Bovendien blijf ik van mening dat het in feite onmogelijk is de mooiste zinnen van wat dan ook uit te roepen.

Neem de beste literaire zin van 2010 volgens Tzum, van Tom Lanoye in Sprakeloos: „Vijftien jaar had de badkamer met de caravanafmetingen probleemloos dienstgedaan, de sporadisch gekneusde knie niet te na gesproken van wie zich, zijn toilet makend of zich scherend voor het lavabootje, te bruusk omdraaide en aan den lijve moest ervaren hoe gering de speling was gebleven tussen rand en wand.”

Mijn hemel.

Nee, dan die van 2005 van Ilja Leonard Pfeijffer in Het grote baggerboek: „Trekt ie daaropvervolgend z’n broek naar omlaag, gaat met die harige aars van hem boven de chili hangen en zet ie me daar toch z’n dikke darm open dat Noach kon fluiten naar berg Ararat.”

Now we’re talking!

De beste openingszin ooit?

Drie woorden, wat mij betreft: ’Noem mij Ismael’ (Moby Dick).

Het hoeft echt niet zo moeilijk.

Mijn Telegraaf-stukjes worden enkele dagen na publicatie op dit blog geplaatst. Abonneer je op de krant wanneer je ze direct wil lezen. Klik op het logo voor meer info.