Nee, niks ernstigs. Gewoon een routinecheckup waaruit moet blijken of ik nog steeds, grote stofwolken achterlatend, in volle galop over de steppen van het bestaan kan razen. Er wiegde zojuist een mooie verpleegster voorbij en ik heb daardoor goede hoop.

Wel moet ik, hier in het hospitaal, rustig op mijn beurt wachten, hetgeen iets meer moeite kost dan anders omdat ik er permanent een mondvod dien te dragen dat ik vanochtend overigens ook al in de buurtsuper, bij het tankstation en op de sportschool heb omgegespt, want ons ben zowel zuunig als gemakzuchtig.

Er is groter leed in de wereld, houd ik mezelf voor, bijvoorbeeld in de directe nabijheid van Mariëtte Hamer als je de Jessias mag geloven (“We zitten in een buitengewoon complexe fase”, lees ik grijnzend op mijn mobieltje). Ik onderga mijn lot daarom gedwee en bemerk dan dat de wachtkamer met nog drie mensen wordt gevuld.

Reeds binnen enkele seconden is het duidelijk dat hier om twee ouders en een zoon gaat. De laatste is een vlotte vijftiger, die zijn moeder behendig in een rolstoel tussen de zitplaatsen door manoeuvreert. Zijn vader sjokt er moeizaam met een wandelstok achteraan. Het drietal neemt tegenover mij plaats en de oude man trekt meteen mijn aandacht, met name omdat het gesprek tussen zijn zoon en zijn vrouw aan hem voorbijgaat.

“Benieuwd wanneer ik aan de beurt ben”, zegt de vrouw.

“Het duurt vast niet lang, mam,” zegt de zoon.

Zij praten verder over alledaagse onderwerpen, terwijl de vader eerst met enige verwondering om zich heen kijkt en vervolgens met grote aandacht zijn magere handen inspecteert.

Wat doet dat vlekje hier? Een puistje? Wat gek. Hee, een dikke ader

Wat doet dat vlekje hier? Een puistje? Wat gek. Hee, een dikke ader. Dat soort vaststellingen lijkt hij met enige verbazing te doen. Hij wekt de indruk in afzondering te leven, in een eigen, steeds kleinere wereld, waar hij het ene ontdekkinkje na het andere doet, steeds opnieuw, maar ook steeds hetzelfde.

Slachtoffer numero zoveel. Ze hebben er, behalve geheugentrainingen in de eerste fase, nog altijd niks tegen gevonden en het grijpt mij wederom aan, al besef ik tevens dat die rotziekte anno nu óók een voordeel heeft: de respectloze verkettering die bejaarden in dit coronatijdperk in toenemende mate ten deel valt gaat aan mensen zoals hij voorbij.

Ineens, als in een plotselinge vlaag van verstandsverheldering, neemt de oude man het woord.

“Ik denk dat het beter is als ik niet mee naar binnen ga”, zegt hij. “Ik snap toch niks van wat de dokter zegt.”

“Verstandig, pap”, zegt zijn zoon.

De oude man knikt en probeert zijn wandelstok dan met steeds heviger bevende handen tussen de leuning van zijn stoel en de aanpalende pilaar in te wrikken, een klusje dat slechts weinigen zouden verzinnen. Hij weet het ook maar niet te klaren.

“Meneer Hoogland! Kamer 3!” hoor ik dan.

Goed nieuws, zoals ik al dacht.

Maar of ik meteen in volle galop het hospitaal uit raas?

Nee.

Mijn Telegraaf-stukjes worden enkele dagen na publicatie op dit blog geplaatst. Abonneer je op de krant wanneer je ze direct wil lezen. Klik op het logo voor meer info.